Waar gaat het over?
Op de Noordzee staan de meeste windturbines op een vaste fundering, zoals een monopile of een jacket. Voorbij een waterdiepte van ongeveer 50 meter wordt dat technisch en economisch onhaalbaar. Wereldwijd ligt een groot deel van het windpotentieel op zee juist boven dieper water. Drijvende windturbines maken dat bereikbaar.
De vier typen drijvende funderingen
Je groep kiest een van de vier hoofdtypen en werkt dat uit:
| Type | Hoe het stabiel blijft |
|---|---|
| Spar | Een lange, smalle cilinder met ballast diep onder water; het lage zwaartepunt houdt de turbine rechtop. |
| Semi-submersible | Meerdere drijvers, verbonden door een frame; de stabiliteit komt uit de grote afstand tussen de drijvers. |
| Tension leg platform (TLP) | Een drijvend platform dat met strakgespannen kabels naar de bodem wordt getrokken. |
| Barge | Een breed, plat drijflichaam met een groot waterlijnoppervlak, vergelijkbaar met een ponton. |
Wat doe je?
- Ontwerpen. Je kiest een type, bepaalt de afmetingen en ontwerpt de verankering.
- Simuleren. Je bouwt een numeriek model in ANSYS Aqwa of OrcaFlex en bekijkt hoe het ontwerp beweegt in golven en wind.
- Controleren. Met een handberekening van onder meer drijfvermogen en stabiliteit toets je of de simulatie klopt.
- Testen. Je bouwt een schaalmodel en test het in het golfbassin op de RDM-campus, met golven en wind. Je vergelijkt de metingen met je simulatie.
Wat lever je op?
Een rapport, het simulatiemodel, een video van je test en een presentatie. Aan het eind laat je je schaalmodel zien aan publiek.
Na dit vak kun je
- de werking en de voor- en nadelen van de vier typen drijvende funderingen uitleggen;
- een drijvende fundering met verankering voorlopig ontwerpen;
- het bewegingsgedrag in golven en wind simuleren en controleren met een handberekening;
- een schaalmodelproef opzetten, uitvoeren en vergelijken met je model.
Floating Wind is zelfstandig te volgen: je hoeft niet eerst Offshore Windfarm Design gedaan te hebben.